De bak die teruglachte
Column Mark van der Werf
Ik stond er al een tijdje naar te kijken toen ik merkte dat ik teruglachte. Dat was niet de bedoeling. En ook een beetje raar wel. Wie lacht er nu terug naar een plastic bak.
Ik was gisteren bij de kringloop. Ik zocht eigenlijk een kastje. Voor buiten. Een minibiebje voor het huis. Een klein kastje, wat boeken erin en dan maar zien wat ermee gebeurt. Dat leek me wel wat. Daar heb ik echt zin in.
Geen kastje gevonden. Wel een paar boeken en een schaaltje. En twee plastic bakken. Ik liep er een beetje rond zoals je in een kringloop loopt. Slenteren vind ik eigenlijk geen mooi woord. Kuieren. Ik kuierde wat. Langs de stellingen, af en toe iets oppakken, ergens naar kijken en het dan toch weer terugzetten. U kent het wel.
De bakken stonden op een houten stelling. Een roze en een gifgroene. Hard plastic. Het soort plastic dat vroeger overal was. In schuurtjes, op zolders. Ik vind het nogal fel. En ze hadden allebei een gezicht.
Twee gaatjes als ogen. Een klein gaatje als neus. Een gebogen mondje.
De roze had duidelijk een leven achter de rug. Een krasje hier. Een deukje daar. Het plastic was dof geworden. Het handvat stond een beetje scheef. De groene was nog feller. Die stond er wat brutaler bij.
Ik pakte de roze op. Ik keek erin.
Leeg.
Dat was eigenlijk alles. Een lege plastic bak met een gezicht. Ik keek nog een keer naar dat gezicht. Ik glimlachte. Niet bewust. Gewoon even. En toen glimlachte ik nog een keer.
Daar moest ik eigenlijk van af. Glimlachen omdat iets vrolijk lijkt. Nee. Bah.
Ik moest denken aan een man die ik ooit bij de supermarkt zag. Hij stond bij de ingang en lachte naar iedereen die binnenkwam. Ik dacht eerst dat hij straatkranten verkocht. Dat bleek niet zo te zijn. Hij stond daar gewoon. Ik kende hem niet. Hij kende mij niet. Ik lachte maar even terug. Vriendelijk knikje. Toen ik later weer naar buiten kwam stond hij er nog. Hij lachte nog steeds. Dat vond ik toen al wat minder. Geen krantjes. Geen hondje. Niets.
Misschien wachtte hij op zijn vrouw. Dat kan natuurlijk. Ik heb hem daarna niet meer gezien.
Ik zette de roze bak terug en keek naar de groene. Die keek terug. Dat was natuurlijk onzin. Bakken kijken niet terug. Toch liep ik weg. Na een paar meter keek ik nog even om. Ze stonden er nog. De roze en de groene. Allebei met datzelfde gezicht.
Thuis heb ik geen spullen met een gezichtje. Ik moet er niet aan denken. Ook geen spullen met tekst trouwens.
Ik bedoel niet dat u dat niet mag. U moet vooral doen waar u zin in heeft. Maar een spreuk op de muur, of een Franse tekst op de plek waar ik mijn tijdschrift moet laten. Het woordje maison ergens in huis. Nee. Of tekst of woorden op je dekbed. Of boven je bed een spreuk. Of boven de bank. Meid doe eens gek zet eens een Franse tekst op de boekenkast "livres".
Volgens mij heet die stijl Riviera Maison.
Bij mijn ouders aan de overkant staat zo'n huis. Daar zit zelfs iets op het raam met Riviera Maison styled, geloof ik. Als je naar binnen kijkt staat er van alles met tekst. Ik zou er na een week al moe van zijn.
Maar goed. Door.
Ik had geen kastje gevonden.
Wel een paar boeken, een schaaltje en bijna twee bakken met een gezicht.
Ik liet ze staan. Die bakken. Dat leek me voor iedereen het beste.
Vooral voor mij.