Ik ben immers geen aap
Een column van Mark van der Werf
Het begon met nergens heen hoeven. Dat is een onderschatte bezigheid. Er zijn van die avonden waarop je ergens staat en na een tijdje denkt: we kunnen hier ook gewoon blijven staan.
Dit was in Zweden, bij een meer. Maar dat ziet u al op de foto. Er stond geen wind en daardoor was het water zo glad dat het bos aan de overkant er precies hetzelfde uitzag als in het echt. Alleen stond het daaronder ook nog. Ik weet niet hoe ik het moet uitleggen. Je ziet gewoon hetzelfde bos twee keer.
Ik weet dat een meer met stil water gewoon een spiegel wordt. Dat leer je op de basisschool al. Toch blijf je ernaar kijken als het ineens zo uitkomt.
Ik had eerder iemand zien genieten van de spiegeling van water. Dat was in Ouwehands Dierenpark, bij de apenrots. Een van de apen roerde telkens met zijn hand door het water en wachtte vervolgens tot het weer stil was. Dan zag hij zichzelf. Tot groot genoegen van de aap. Vervolgens gaf hij met een krijs weer een pets op het water en begon het hele verhaal opnieuw.
Het waren bavianen, denk ik. Met van die grote roze konten. Dat is sowieso al iets waar je niet heel erg mee te koop wilt lopen.
Ik voelde daar in Zweden even de neiging om hetzelfde te doen. Gewoon een pets op dat water. Kijken wat er gebeurt. Maar ik deed het niet.
Ik ben immers geen aap.
Afijn.
Het was zomer. De bomen hadden nog wat licht te pakken en waren geel, oranje en rood. Eigenlijk te mooi. Je verwachtte bijna ergens een bord met een spreuk over geluk. Dat stond er gelukkig niet. Ik geloof dat ik u al eens vertelde over mensen met spreuken in huis. Op meubels en muren. Ik zal u er niet mee vermoeien.
We bleven staan.
Dat doen we thuis niet zo vaak. Daar moet er altijd wel iets. Je moet ergens heen, iets ophalen, iemand bellen of bedenken wat je vanavond gaat eten. Hier hoefde niks. Het meer deed niks. Het bos deed niks. Wij deden uiteindelijk ook maar niks.
En dat bleek eigenlijk best prettig. Ik ga daar goed op. Op wat niks.
Na een tijdje wist je niet meer waar je naar keek. Naar het bos of naar het water. Boven was bos, onder was ook bos. Je kijkt ernaar en denkt: ja, daar heeft iemand zich niet heel druk over gemaakt.
Toen kwam er een beetje wind. Eerst een klein rimpeltje, daarna nog een paar. Het bos onder water begon te bewegen en werd langzaam weer gewoon water.
Daarna was het weer een meer.
We liepen terug naar de camper. Ik had nog steeds niet in het water geslagen. Toch best knap, dacht ik.
Meer verhalen van Mark van der Werf
Bekijk mijn boeken en reisverhalen →