Nu niet meer
Ik had een kerk uitgezocht. Een mooie, oude houten kerk in Polen. Maar zoals zo vaak kwam ik ergens anders terecht.
Naast de kerk lag namelijk een kerkhof en u kent me onderhand wel een beetje. Als ik ergens een oud kerkhof zie, ben ik weg. Dan kan die kerk rustig even wachten.
Het eerste wat me opviel waren de bloemen. Heel veel bloemen. Niet een bosje hier en daar, maar bijna op ieder graf. Plastic bloemen, echte bloemen. Er stonden potten en bakjes en glazen potjes met kaarsen erin. Sommige kaarsen waren nieuw. Andere hadden al een paar keer gebrand. Aan een graf stond een rood plastic bakje een beetje scheef. Iemand had het daar neergezet en was weer weggegaan. Ik vond dat eigenlijk wel mooi.
Er liep een vrouw over het pad. Ze ging bij een graf staan, bukte zich en haalde wat blaadjes weg. Ze zette een bloem recht. Keek nog even. Toen liep ze weer verder. Het graf zag er daarna ongeveer hetzelfde uit. Dat is het hele werk. Zorgen dat het er hetzelfde uitziet. Aandacht. Dat dus.
Ik moest ineens terugdenken aan de begrafenis van mijn opa en oma. Niet tegelijk natuurlijk. Jaren na elkaar. Dat waren pijnlijke dagen. Mijn opa was oud en eigenlijk was het goed zo. Mijn oma was ziek en ook daar was het goed dat ze niet langer hoefde. Al wil je natuurlijk niemand missen. Wat het erger maakte, was het verdriet van mijn ouders. Je ouders verdrietig zien om hun ouders geeft je een nogal ongemakkelijke spiegel. Ooit sta je daar zelf. Dat is al een vreemde gedachte. Maar je kunt op zo'n moment ook maar weinig doen. Je wilt ze troosten, natuurlijk. Je probeert wat te zeggen. Maar uiteindelijk zeggen mensen: je moet er doorheen. Dat is ook zo. Alleen helpt het op zo'n dag niet bijzonder veel.
Het was een onvoorstelbaar grote klap. Hoe oud iemand ook is. Hoe ziek iemand ook was. Op zo'n dag is iemand ineens weg. En jij bent ineens geen kind meer. Afijn.
Terug naar het kerkhof.
Daar liep dus een vrouw.
En er waren bloemen.
Ik keek er nog eens goed naar. In Nederland zijn begraafplaatsen vaak wat rustiger. Grijze stenen. Een plantje. Alles keurig binnen de lijntjes. Hier leek het alsof mensen zich er wat minder druk om maakten of het netjes genoeg was. Er mocht best veel staan. Of een plastic engeltje. Of een kaars, en nog meer spulletjes.
Misschien was dat wat me aantrok.
Niet dat het mooier was. Dat weet ik niet eens.
Het zag er vooral uit alsof iemand er nog kwam.
Ik eindigde bij de houten kerk, tussen de graven van mensen die ik niet kende. Ik las wat namen. Keek naar de bloemen.
En dacht aan mijn opa en oma.
Ze liggen 180 kilometer bij mij vandaan. Dat wil zeggen, als ik thuis ben.
Dat is niet heel ver.
Maar ook niet om de hoek.
Vroeger kon ik ze gewoon bellen.
Nu niet meer.