Van de spijkerbroekenwinkel naar de jaarmarkt

Ik was bij een jaarmarkt. Althans. Dat was niet de planning. Ik was eigenlijk bij de spijkerbroekenwinkel. Ik heb een vaste winkel en daar kom ik zo af en toe.

De man die er werkt is een doorgewinterde spijkerbroekverkoper. Hij kijkt me aan en ziet mijn maat. Hij heeft geen timmermansoog, maar een spijkerbroekoog. Als dat bestaat. Afijn. Ik denk van wel. Hij kijkt even. Vraagt wat je zoekt. Ik wijs op de broek die ik aan en heb. En ik zeg: deze. En zonder de maat te weten komt hij met een broek aan.

Ik pas voor de show de broek nog even. Die past wonderwel eigenlijk altijd. Vervolgens neem ik dezelfde broek in diverse kleuren mee naar huis. Uiteraard rekenen we eerst nog even af. Wel zo netjes. Die winkel zit niet bepaald bij mij om de hoek. Maar ik rij er graag voor. Ik hou van bepaalde zekerheden. Sommige dingen moet je niet veranderen. Een vaste spijkerbroekenwinkel is daar wat mij betreft een van.

Op de terugweg nam ik de toeristische route. Daar hou ik van. Niet terug over de snelweg, maar hobbelend door de diverse dorpjes. En zo kwam ik dus terecht op de jaarmarkt van Niekerk. Ik kom niet uit Niekerk. Dat scheelt. Ik ga beter op rommelmarkten. Daar ligt tenminste nog iets waarvan je denkt: waarom heeft iemand dit ooit gekocht? Maar goed. We waren er nu toch. Dus waarom niet.

Een jaarmarkt is eigenlijk een soort mini-kermis. Een zweefmolen, een grijpautomaat en kraampjes met handel. Nieuw spul. Maar dan nieuw spul in een bepaalde categorie. Speelgoed, maar dan het speelgoed waar je zelf nooit om hebt gevraagd. Dingen waarvan je niet precies weet waarvoor ze dienen, maar waarvan de verkoper blijkbaar denkt dat iemand het nodig heeft. Hier en daar een kledingkraam. Die opvallend veel op de vorige kledingkraam lijkt. Zelfde groothandel, zullen we maar zeggen. Dan weer een kraam met eten. Iets met worst. Iets met saus. Altijd goed op een jaarmarkt.

Maar ik wil de jaarmarkt ook weer niet afkraken. Het is een traditie. Het hoort erbij. De straten in de omgeving zijn versierd. Ik stel me zo voor dat je als echte dorpeling op een gegeven moment denkt: we moeten nog even over de jaarmarkt. Niet eens om iets te kopen. Je ontmoet er bekenden.

Oud-klasgenoten. De buren van je ouders. Mensen die je al twintig jaar niet gesproken hebt en waarvan je nog steeds weet waar ze gewoond hebben. Heb je die van die en die gezien? Je weet wel, van die vriendin van je moeder. Die is toch aangekomen? En ik zag die en die lopen, je weet wel. Die loopt alweer op alle dag. Afijn. U begrijpt me wel. Het is veel meer dan die kraampjes. Het is gewoon even een gezellige middag. Even kijken wie er zijn. Even gezien worden. Even horen wat er met iedereen aan de hand is.

Ik ben alleen geen dorpeling van hier. Dus ik zie vooral de kraampjes. Het is er gezellig druk. Mensen lopen een beetje langs elkaar heen. Je kijkt naar de spullen. Je kijkt naar de mensen die naar de spullen kijken. Je loopt eigenlijk vooral een beetje plichtmatig door. Aan het einde kijk je elkaar aan. Gezellig he. En dan loop je terug. Je ziet dezelfde kraampjes nog een keer. Alleen nu weet je al wat er ligt.

Om het tekort aan rommel nog enigszins op te lossen, hebben we op de terugweg ook nog een paar kringlopen aangedaan. Daar was het tenminste gebruikt. Dat voelt toch wat eerlijker.

Wilt u weten wat ik daar kocht? Drie Franse dinerborden met een bloemetje. We zijn met vier thuis, maar er waren er drie. Nou ja. Ik heb in de woonkamer een roze kast staan. Een oude geschilderde kast met planken. Daarin staan inmiddels een kleine zestig borden. Liefst oud. En allemaal verschillend. Allemaal kringloop.

Wij eten thuis dus op stand. Althans, dat klinkt zo. We kiezen gewoon welk bord bij het eten past. Vandaag de Boerenbont. Morgen Engels porselein. Dan weer zo’n jarenzeventigservies met een naam als In the Mood. U kent het wel. Dus toen ik drie Franse borden met een bloemetje zag, dacht ik: die kunnen mooi in de kast.

En ik kocht een bloempotje. Adco. Een mens kan nooit genoeg bloempotten hebben. Want plantjes stekken. U begrijpt me vast.

En zo kwam ik thuis met een paar spijkerbroeken, drie Franse borden en een bloempotje. Van de jaarmarkt had ik niets gekocht. Dat was ook niet de bedoeling. Ik moest alleen een broek hebben.

— Mark van der Werf