Vier komma twee

Mijn vrouw heeft een regenmeter gekocht.

Ik was erbij. Het was een gezamenlijke aankoop. Zo gaat dat tegenwoordig. Zeven en een halve euro. Zonder steel. Die haalden we eveneens gezamenlijk bij de Action. Een schroefje hadden we nog wel. Die zorgt ervoor dat de meter niet wegwaait als het niet geregend heeft. Dat zou natuurlijk zomaar kunnen. Daar heb je immers een windmeter voor. Niet dat wij die hebben.

Dat had ik vroeger ook niet gedacht. Dat je op een dag samen een regenmeter koopt. Er zijn momenten waarop je merkt dat het leven een andere richting is opgegaan. Het is een groen plastic buisje op een stokje. Hij staat in de tuin. Als het regent loopt er water in en dan kun je aflezen hoeveel het is. Vier komma twee millimeter bijvoorbeeld.

Mijn schoonvader vraagt namelijk nogal eens hoeveel regen er bij ons is gevallen. Niet zomaar uit belangstelling. Er zit iets van competitie in. Als ik zeg dat het behoorlijk geregend heeft, blijkt er bij hem altijd meer te zijn gevallen. Veel meer.

Bij ons wat gespetter op de ramen, bij hem liepen de goten over. Bij ons een nat terras, bij hem stond het water bijna in de keuken.

Ik kon daar nooit zoveel tegenin brengen. Ik wist het gewoon niet.

Nu wel.

Na een bui loop ik naar buiten en kijk ik in het groene buisje. Dat doe je op het goede moment. Niet tijdens de bui natuurlijk. Dan heb je nog geen idee wat de eindstand wordt.

Maar wanneer leeg je hem eigenlijk?

Elke ochtend?

Dat lijkt me het eerlijkst. Anders tel je de ochtendbui van vandaag bij de regen van gisteren op. Dan krijg je natuurlijk hele verkeerde cijfers.

Aan de andere kant kun je hem ook gewoon laten staan.

Dan heb je bij de koffie iets te vertellen.

“Bij ons is vannacht 14 millimeter gevallen.”

Vier komma twee.

Dat noteer ik in het kladblokje van mijn telefoon. Niet dat iemand mij erom gevraagd heeft. Ik heb de gegevens ook nog met niemand kunnen delen. Maar ze staan er.

Vier komma twee.

Zes komma acht.

Ik begin inmiddels een administratie te krijgen.

Vroeger had ik trouwens al eens een regenmeter. Of eigenlijk mijn ouders. Voor scouting moest ik een verslag bijhouden voor het insigne Weermannetje en Weervrouwtje. Dat kon toen nog gewoon met twee geslachten. Hoe dat tegenwoordig geregeld is weet ik niet. Afijn.

Ik moest het weer bijhouden.

Temperatuur. Regen. Wind. Dat soort dingen.

Ik heb dat boekwerkje nog. Er zitten zelfs krantenknipsels in over het weer. Het was een koude winter. Heel koud. Dat is alleen lastig als je een regenmeter hebt. Als het vriest heb je er niet zoveel aan. Dan staat er bij regen steevast nul millimeter.

Dat was ook ongeveer de uitkomst van iedere meting.

Nul.

Nu staat er tenminste af en toe wat in.

Ik vraag me inmiddels zelfs af wanneer je zo'n ding eigenlijk binnen moet halen. Bij vorst? Maar wat als het dan toch regent? Dan mis je de cijfers. Je kunt moeilijk midden in de nacht met een zaklamp de tuin in om een regenmeter te redden.

Ik leer nog. Dat begrijpt u.

Dus als we straks weer eens bij mijn schoonvader op de koffie gaan en hij vraagt hoeveel regen er bij ons is gevallen, heb ik de cijfers paraat.

Dat lijkt me wel wat.

Niet om hem af te troeven.

Helemaal niet.

Ik wil het gewoon weten. En als hij het vraagt, weet ik het.

Vier komma twee.

Of zes komma acht.

Voor je het weet, heb je samen een regenmeter.

Meer verhalen van Mark van der Werf
Bekijk mijn boeken en reisverhalen →